
Yoshindo Yoshihara tijdens 'yaki ire' (harden van het lemmet)
In 1873 besliste de toenmalige Keizer Meiji dat er een betere en modernere manier moest komen van oorlogsvoeren en verloren de Samurais het alleenrecht om als enige bewapende strijdkrachten op te treden. Kort daarna (1876?) werd het zelfs verboden om een katana in het openbaar te dragen. Veel zwaardsmeden veranderden van ‘job’ en schakelden over naar het gewone smeedwerk om te kunnen overleven.
In het begin van de 20 eeuw besliste het leger dat het zwaard weer tot de uitrusting van een soldaat behoorde en konden zwaardsmeden weer aan het werk. Helaas was de kwaliteit van deze zwaarden (guntō genoemd) niet te vergelijken met hun voorgangers. Ze werden veelal in massa’s geproduceerd, smeedwerk kwam er niet meer aan te pas en in plaats van in water werden de meeste gehard in olie. De militaire zwaarden die wel nog met de hand werden gesmeed volgens de oude tradities worden gendaitō genoemd .
Tijdens de Amerikaanse bezetting van Japan na de 2e wereldoorlog leek het er op dat de aloude traditie van het zwaardsmeden volledig verloren ging gaan door het wapenverbod (dragen & maken ervan) dat werd ingevoerd. Enkel politie of andere overheidsinstellingen konden nog scherpe zwaarden laten maken. De vele (waardevolle) zwaarden die ze hadden werden in beslag genomen en vernietigd of meegenomen door de soldaten naar huis als souvenirs.
Vele smeden moesten hun smederijen noodgedwongen verlaten en ook de kennis die door de eeuwen heen werd verzameld werd achtergelaten. De zwaarden die nog werden gemaakt waren louter voor publieke gelegenheden, ceremonies en rituelen.
Pas wanneer de Amerikanen Japan verlieten in 1953 werd het verbod opgeheven en konden de ‘overgebleven’ smeden terugkeren naar hun smederijen. Een nieuwe generatie van leerlingen bood zich aan en op die manier is men in staat geweest om het grootste deel van hun kennis opnieuw leven in te blazen.
Een nieuwe tijd was misschien aangebroken maar er werd nog steeds gewerkt volgens de eeuwenoude tradities die al honderden jaren werden gevolgd. Leerlingen moeten tot op vandaag nog steeds jarenlange leerperiodes ondergaan waar het inwonen bij de smid zelf een ‘must’ is.
De Japanse overheid heeft nog steeds een overheersende hand in de kunst van het smeden en er gelden nog steeds zeer strenge regels. Zo mag een smid slechts enkele zwaarden per maand maken en moet een leerling een aantal jaren bij een ‘gecertificeerde’ smid in de leer gaan om ooit de toestemming te krijgen van de overheid om zelf zwaarden te maken.
De smeden die aan het begin van de 20e eeuw actief waren , waren niet in staat om de kwaliteit van hun voorouders te benaderen omdat het meer een kwestie van massa productie was geworden en als het dat niet was, dan beschikten ze niet over de goede grondstoffen & materialen
De kwaliteit van de katana die de afgelopen decennia werden gemaakt daartegenover zijn zowat te vergelijken met de katana die in het oude Japan werden gemaakt. Ze beschikken immers over de beste grondstoffen en materialen en zijn dus niet meer afhankelijk van technische beperkingen.
Komt daarbij dat het bestuderen &uitwisselen van kennis nu veel meer gebeurd dan in het oude Japan (waar elke school zijn ‘geheimen’ voor zichzelf hield) en dat zwaarden nu meestal worden gemaakt voor ‘kenners’ daar waar ze in het verleden vooral zwaarden moesten smeden voor de staat.